zondag 21 januari 2024

Toen en Nu 

Vervolg van artikel Toen en Nu, Rondje Usselo februari-maart 2024.

Tekst: Hennie Rietman

Treinstation ‘t Halt
Tot de jaren dertig was er een echt treinstation in Usselo. Nou ja, een station? Het was eigenlijk een halte, de ‘Usselerhalte’, aan de spoorlijn van Boekelo naar Oldenzaal. Er werden alleen reizigers vervoerd, vooral op marktdagen was het vaak druk. Het stationnetje lag tussen de Twekkelerbeekweg en de Afinkstraat, ten zuiden van de Windmolenweg. Er werd ook tabak en (stiekem) drank verkocht. 

Herman ter Mors, ‘Halten Herman’ is 20 jaar lang ploegbaas geweest van de H.IJ.S.M. (Hollandsche Ijzeren Spoorweg Maatschappij). Hij woonde op de boerderij aan de Geerdinkzijdeweg. Zijn vrouw zwaaide met een rode vlag als de trein de straat kruiste. Dichtbij stond er ook een klein theekoepeltje. Deze theekoepel diende als onderkomen van een club Heeren, de ‘Boerclub’. 

Lees hieronder het interview met de heer ter Mors lezen uit de Tubantia van 15 december 1951 toen hij 90 jaar werd en voor meer informatie over het theekoepeltje.

“Halten-Herman” negentig jaar. Een gepensioneerde ploegbaas van de H.IJ.S.M. vertelt!”

Deze week is Herman ter Mors aan de Geerdinkszijdeweg te Usselo negentig jaar geworden. Hij zit er nog zo kras en kwiek bij en weet zo slagvaardig te vertellen, dat men haast geneigd is ie zeggen: de oude “Halten-Herman” stevent stoer op de honderd af. Een kleine twintig jaar heeft hij de spoorweghalte Usselo, die in de jaren dertig werd opgeheven, overleefd, maar de herinnering aan die tijd staat hem nog levendig voor de geest. 

De halte Usselo dreef op het echtpaar ter Mors en dat wil wat zeggen, als er langzamerhand negen kinderen om de tafel plaatsnemen. De vrouw van ter Mors verkocht de kaartjes van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij, gekleed in een cape en een lange rok stond zij de trein op te wachten en bij de overweg zwaaide zij met een stok. waaraan een rode vlag was bevestigd, ten teken, dat het verkeer diende stil te houden om het “ijzeren monster” met zijn sleep van enkele personenwagens doorgang te verlenen. Prompt op tijd vertrok de Duif, zoals de antieke locomotief van die dagen heette, en als de heren, die in de Koepel in de buurt een glaasje wijn hadden gedronken, het wat laat hadden gemaakt, dan moesten ze maar te voet naar Enschede.

Nu zit Herman ter Mors in een hoekje bij de haard van een van zijn zoons, Z’n gezicht is er wel wat minder op geworden, maar zijn geest vertoont nog drommels weinig tekenen van ‘slijtage’. Hij antwoordt adrem, is goedlachs en kan soms zó ondeugend van onder de klep van zijn pet aankijken, dat je het idee hebt dat je ‘er tussen’ wordt genomen. Roken is z’n tijdverdrijf. Graag rookt hij een pijp en vaak ook een sigaar. Hij zegt, dat de dokter hem verteld heeft ’s ochtends maar direct een pijp op te steken, want dan komt het slijm los. Voor de rest van de dag dampt hij door. Hij zat trouwens al vroeg in de tabaksbranche, want op de halte Usselo dreef hij met zijn vrouw een klein nerinkje, waar behalve rookwaar sigaren werden er toen nog zelden gerookt en als men iemand met een sigaar zag, dan luidde het commentaar: kiek doar koomp den gek ook an; hee hef ’n spits in ’n moond – ook kloompen en.. jenever werden verkocht. Alcohol en snelverkeer waren toen nog geen gezworen vijanden. 

Nu ging de jeneververkoop daar aan de halte Usselo niet helemaal volgens de door de overheid vastgestelde bepalingen. Het gebeurde dus om het nu maar eens zo te zeggen stiekem. Dat was ook de veldwachter Teutelink ter ore gekomen, die op zekere avond met twee wethouders van Lonneker, Nijhuis en Overbeek, aan de halte verscheen en de vraag stelde: Ik geleuf, dat ie een börrelke verkoopt. Oh, da’s mooi, zei ter Mors toen. Het duurde echter niet lang of de eerste borrel stond voor Teutelink op tafel. Och, zegt ter Mors, dat was niet zo erg. De trein van elf uur was de laatste. De volgende dag begon de dienst voor ploegbaas ter Mors om vijf uur. Van vijf tot zes moest hij eerst de baan schouwen. Dat was dan het gedeelte naar Boekelo. En niet op de fiets maar te voet. Het salaris bedroeg negentig centen daags. Als je dan te laat in Boekelo kwam om de naam in het boek van chef Muller te zetten, dan had je een kwartje verspeeld. Goederen werden er op dit lijntje, dat via Enschede doorliep naar Oldenzaal, niet vervoerd. Er was alleen reizigersvervoer en dikwijls was het een hele drukte, vooral op marktdagen. Zes keer per week moest ter Mors de lijn schouwen: de zevende dag ook, maar het verschil met de andere dagen was dat het zondag gratis diende te geschieden.

Boerderij ’t Halt rond 1970

Boerderij ’t Halt in 2023

Ter Mors had allerlei bijbaantjes. Hij zorgde voor thee brood voor de heren, die op de Koepel de avond doorbrachten. Verscheidene weet ter Mors er zich nog van te herinneren. Naar hij mededeelt zijn ze allen overleden. Het waren er ongeveer twintig, o.a. de heeren Pr. Meister, B. Romeny, Benjamin ter Kuile, Gijs Lasonder e.a. ’s Avonds als de laatste treinuit Usselo vertrok gingen de heren mee. 

Die koepel is in 1880 gebouwd. Toen ter Mors dertig jaar geleden werd gepensioneerd, ging hij nog een beetje boeren. Vele malen zal men hem met zijn ponywagen voorbij hebben zien rijden. Zijn grondbezit breidde zich voortdurend uit en op de boerderij waar hij nu al vijftig jaar woont, is een luxe hengstenfokkerij gevestigd.

______________________________________________________________________________

Uit het boek “Enschede, De Hooge Heeren  en ’t Societeit” door Benno van Delden.

3. Clubs

3.1. ‘De Boerclub’ (geb.jr. 1863)

Bij de Usselerhalte in Usselo/Twekkelo (aan de vroegere spoorlijn Enschede- Haaksbergen) verrees begin 1888 een theekoepel, alwaar echter in de loop van de daarop volgende jaren niet of nauwelijks thee is gedronken. Dit huisje was dan ook als home bedoeld voor ‘De Boerclub’; de eerste steenlegging vond daartoe op 8 januari 1888 plaats.

Opzienbarend is dat op deze steen, die zich momenteel (1989) nog altijd in het inmiddels verbouwde huisje bevindt, zijn de initialen van de toenmalige leden te zien. – uitgaande van de gedachte dat het lidmaatschap uit- sluitend was voorbehouden voor de ‘Hooge Heeren’, dat er zich tussen die clubleden een winkelier (Barend Romeny) bevond! Tot aan zijn dood schijnt kruidenier Barend een zeer gewaardeerd lid van deze club te zijn geweest. Het duurde echter tot 1 februari 1936. Hij was de zeventig reeds gepasseerd, dat Barend alsnog lid van de vereniging ‘de Groote Societeit’ kon worden!

De ligging van de koepel – dichtbij de Halte en pal naast het spoortalud – was bewust gekozen, opdat de leden op de zondagavonden voor de terugtocht van de stoomtrein gebruik konden maken. 

De machinist maakte dan meestal een extra stop bij het clubhuis! te maken om aangekomen op het station Noord te Enschede behoefden de heren nog slechts een kleine wandeling – al dan niet met vaste tred hun bed te bereiken. Het onderhoud van dit clubgebouwtje, het op zondag tijdig aanmaken van de Godinkachel (‘je brûle tout l’hiver sans m’étein- dre’), de petroleumlampen poetsen en vullen, alsmede de verzorging van de inwendige mens (brood en vocht) was in handen van de daar in de buurt wonende boerenfamilie Ter Mors.

Koepel bij ’t Halt rond 1970

Print deze pagina